OTM Belgian Shippers' Council

Hackathon logo final transparent vector file

Belangenorganisatie logistiek - handel en industrie

O.T.M. staat voor Organisatie van Traffic Managers. Zij is de enige organisatie die de
belangen verdedigt van de Verladers, zijnde de bedrijven die voor het vervoer van hun
producten gebruik maken van eigen vervoer of van transportbedrijven.

KB o4 05 2007 - vakbekwaamheid

Bron: 2009-07-29

4 MEI 2007. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E  - (B.S. 10/05/2007)

Gewijzigd door:

- Koninklijk Besluit van 16-07-2009, gepubl. op 29-07-2009 (gewijzigde art.: 2; 7; 74bis; 74ter)

-           Koninklijk Besluit van 10-05-2009, gepubl. op 20/05/2009 (gewijzigde art.: 74bis; 76; 77)

-           Koninklijk Besluit van 28-11-2008, gepubl. op 09-12-2008 (gewijzigde art.: 29; 35; 36;

42; 55; 57)

-           Koninklijk Besluit van 18-09-2008, gepubl. op 23-09-2008 (gewijzigde art.: 2; 24; 29; 31;

35; 36; 38; 42; 43;     47; 48; 50; 51; 52; 55; 74ter; N1; N2)

-           Koninklijk Besluit van 21-08-2008, gepubl. op 08-09-2008 (gewijzigde art.: 74bis; 76;

77)

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 1, eerste lid van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985, 28 juli 1987 en 15 mei 2006;
Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985, 20 juli 1991, 5 augustus 2003 en 20 juli 2005, op artikel 21, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1976 en 18 juli 1990, op artikel 23, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1976, 29 februari 1984, 18 juli 1990 en 7 februari 2003, op artikel 26, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en op artikel 27, vervangen bij de wet van 9 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 18 juli 1990;
Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, inzonderheid op artikel 8.2, 1°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 23 maart 1998, op artikel 8.2, 2°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 23 maart 1998 en op artikel 59.2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991, 29 mei 1996, 23 maart 1998, 14 mei 2002 en 22 maart 2004;
Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 mei 1999, 20 juli 2000, 14 december 2001, 5 september 2002, 29 september 2003, 22 maart 2004, 15 juli 2004, 17 maart 2005, 20 juli 2005, 30 september 2005, 8 maart 2006, 24 april 2006, 10 juli 2006, 1 september 2006 en 28 december 2006;
Gelet op de omstandigheid dat de Gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 december 2006;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 8 december 2006;
Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
Gelet op het advies 42.014/4 van de Raad van State, gegeven op 15 januari 2007 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Mobiliteit en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers;

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

 TITEL I. - ALGEMEENHEDEN

Artikel 1

Dit besluit zet de richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad om in Belgisch recht.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1°        « wet » : de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart

1968;
2°        « koninklijk besluit betreffende het rijbewijs » : het koninklijk besluit van 23 maart 1998

betreffende het rijbewijs;
3°        « Minister » : de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;
4°        « motorvoertuig » : elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een

motor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen. Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen uitgerust met een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u. bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen».
<KB 2008-09-18; art. 1; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

5°        « auto » : elk motorvoertuig, bromfietsen en motorrijwielen uitgezonderd, dat gewoonlijk

wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg, of om voertuigen

voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term

omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een

elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw-

en bosbouwtrekkers;
6°        « motorvoertuigen categorie C » : andere voertuigen dan die van categorie D, met een

maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg; aan de voertuigen van deze categorie

kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximale toegelaten massa niet

meer dan 750 kg bedraagt;
7°        « motorvoertuigen categorie C+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een

trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximale toegelaten

massa van meer dan 750 kg;
8°        « motorvoertuigen categorie C1 » : andere voertuigen dan die van categorie D, waarvan

de maximale toegelaten massa meer dan 3 500 kg, doch ten hoogste 7 500 kg bedraagt; aan de voertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg;

9°        « motorvoertuigen categorie C1+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een

trekkend voertuig van subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximale

toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus

gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt;

10°      « motorvoertuigen categorie D » : voertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer

dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de voertuigen van deze

categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa

van ten hoogste 750 kg. De voertuigen met vouwbalg omschreven in artikel 1, § 2, 9 van

het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische

eisen waaraan de voertuigen, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun

veiligheidstoebehoren moeten voldoen, behoren eveneens tot deze categorie;
11°      « motorvoertuigen categorie D+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een

trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximale toegelaten

massa van meer dan 750 kg;
12°      « motorvoertuigen categorie D1 » : voertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer

dan acht doch niet meer dan zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;

aan de voertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met

een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg;
13°      « motorvoertuigen categorie D1+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een

trekkend voertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximale

toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus

gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa

van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en de

aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren;
14°      « voertuigen van groep C » : de motorvoertuigen van de categorieën C en C+E en de

subcategorieën C1 en C1+E;
15°      « voertuigen van groep D » : de motorvoertuigen van de categorieën D en D+E en de

subcategorieën D1 en D1+E;
16°      « voertuigen van groep 2 » : de motorvoertuigen van groep C en groep D;
17°      « geregeld vervoer:

a) het geregeld vervoer : vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet. Geregeld vervoer is voor iedereen toegankelijk, ongeacht, in voorkomend geval, de verplichting om de reis te boeken. Een aanpassing van de exploitatievoorwaarden voor het vervoer doet niet af aan het geregelde karakter van het vervoer;
b) de bijzondere vorm van geregeld vervoer : vervoer, ongeacht door wie het wordt georganiseerd, van bepaalde categorieën reizigers met uitsluiting van andere reizigers, voor zover dat vervoer op de in punt a) bepaalde wijze geschiedt. De aanpassing van de organisatie van het vervoer aan de wisselende behoeften van de gebruikers doet aan het geregelde karakter van de bijzondere vorm van het vervoer geen afbreuk».
<KB 2009-07-16, art. 4; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

18°      « gewone verblijfplaats » : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen

gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige

bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke

bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;

19°      « voorlopig rijbewijs » : het voorlopig rijbewijs model 3, zoals bedoeld in de artikelen 6

tot 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, geldig gemaakt voor een

voertuig van groep 2;
20°      « aanvraag om een rijbewijs » : het document bedoeld in artikel 17 van het koninklijk

besluit betreffende het rijbewijs;
21°      « Europees rijbewijs » : elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven

door een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;
22°      « alternerende beroepsopleiding wegvervoer » : opleiding tot bestuurders van voor

goederen- en/of personenvervoer bestemde voertuigen met een minimumduur van 6

maanden die gestructureerde opleidingsperioden in een bedrijf en in een erkend centrum

voor alternerende beroepsopleidingen omvat en die erkend is overeenkomstig de

toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de gewesten of overeenkomstig de wet

van 19 juli 1983 op het leerlingwezen uitgeoefend door werknemers in loondienst, met

inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs;
23°      « centrum voor alternerende beroepsopleiding » : centrum dat alternerende

beroepsopleidingen wegvervoer organiseert en erkend is door de Minister overeenkomstig

Hoofdstuk 1 van Titel V van dit besluit;
24°      « voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid » : document dat wordt afgeleverd aan de

kandidaat die een alternerende beroepsopleiding wegvervoer volgt in een door de

Minister erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding;
25°      « bewijs van vakbekwaamheid C » : bewijs van vakbekwaamheid geldig voor het

besturen van voertuigen van groep C;
26°      « bewijs van vakbekwaamheid D » : bewijs van vakbekwaamheid geldig voor het

besturen van voertuigen van groep D;
27°      « getuigschrift van basiskwalificatie C » : bewijs van slagen voor het examen

basiskwalificatie, het aanvullend examen of het deel basiskwalificatie van het

gecombineerd examen voor het besturen van een voertuig van groep C;
28°      « getuigschrift van basiskwalificatie D » : bewijs van slagen voor het examen

basiskwalificatie, het aanvullend examen of het deel basiskwalificatie van het

gecombineerd examen voor het besturen van een voertuig van groep D;
29°      « getuigschrift van nascholing » : bewijs dat nascholing werd gevolgd in een

opleidingscentrum;
30°      « exameninstelling » : instelling die het examen rijbewijs, het examen basiskwalificatie,

het gecombineerd examen en het aanvullend examen organiseert voor het besturen van de

voertuigen van groep 2 en die erkend is overeenkomstig Hoofdstuk 2 van Titel III van dit

besluit;
31°      « examencentrum » : centrum dat deel uitmaakt van een exameninstelling;
32°      « opleidingscentrum » : centrum dat nascholingscursussen aanbiedt en erkend is

overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van Titel IV van dit besluit;
33°      « onderwijsinstellingen » : de overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en geldende

kwaliteitsnormen van de gemeenschappen georganiseerde, gesubsidieerde of erkende

onderwijsinstellingen;
34°      « code 95 » : de communautaire code opgenomen in bijlage 7 bij het koninklijk besluit

betreffende het rijbewijs die overeenstemt met het bewijs van vakbekwaamheid;
35°      « bestuurdersattest » : het attest in de zin van Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad

van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de

weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lidstaat of over het

grondgebied van een of meer lidstaten.

TITEL II. - DE VAKBEKWAAMHEID

HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied

Artikel 3

§ 1. Deze titel is van toepassing op het vervoer binnen het Rijk over de openbare weg, met voertuigen waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, vereist is, door:

1°        De onderdanen van de Europese Unie;
2°        De onderdanen van een derde land die in dienst zijn van of werken voor een onderneming

die gevestigd is in één van de Lidstaten van de Europese Unie.

§ 2. De personen bedoeld in § 1 moeten, behoudens de vrijstellingen vermeld in artikel 4, beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid C voor het besturen van een voertuig van groep C en over een geldig bewijs van vakbekwaamheid D voor het besturen van een voertuig van groep D, afgeleverd door een van de lidstaten van de Europese Unie.

§ 3. Moeten, behoudens de vrijstellingen bepaald in artikel 5, in België een getuigschrift van basiskwalificatie C voor het besturen van een voertuig van groep C dan wel een getuigschrift van basiskwalificatie D voor het besturen van een voertuig van groep D verwerven :
1°        Bestuurders die onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Unie en die hun gewone

verblijfplaats hebben in België;
2°        Bestuurders die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Unie en die in

dienst zijn van of werken voor een onderneming die in België gevestigd is, of die

beschikken over een Belgische werkvergunning.

§ 4. De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in België en die in België werken, moeten in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in België of die in België

werken, kunnen in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in een andere Lidstaat van de Europese Unie of die werken in een andere Lidstaat van de Europese Unie, kunnen in die lidstaat nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

Artikel 4

§ 1. De vereiste van vakbekwaamheid is niet van toepassing op bestuurders :
1°        van voertuigen met een toegelaten maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur;
2°        van voertuigen in gebruik bij of onder controle van de strijdkrachten, de

burgerbescherming, de brandweer en diensten verantwoordelijk voor de handhaving van

de openbare orde;
3°        van voertuigen die op de weg worden getest in verband met technische verbeteringen,

reparatie, onderhoud, en nieuwe of omgebouwde voertuigen die nog niet in het verkeer

zijn gebracht;
4°        van voertuigen die worden gebruikt bij noodtoestanden of worden ingezet voor

reddingsoperaties;
5°        van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederen- en personenvervoer

voor privé-doeleinden;
6°        van voertuigen of combinaties van voertuigen met een maximale toegelaten massa van

ten hoogste 7,5 ton die worden gebruikt voor het vervoer van materiaal, apparatuur of

machines die de bestuurder voor zijn werk nodig heeft en op voorwaarde dat dit vervoer

niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is.

§ 2. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid C voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid C.

Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid D voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid D.

§ 3. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid zijn:
1°        de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het praktisch examen

afleggen of met het oog daarop scholing volgen;
2°        de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een voertuig besturen

dat bestemd is voor het onderricht;
3°        de bestuurders bedoeld in artikel 4, 4° en 8° van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs;
4°        de kandidaten bedoeld in artikel 4, 5°, 6°, 7°, 9° en 15° van het koninklijk besluit

betreffende het rijbewijs.

Artikel 5

§ 1. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C zijn bestuurders die :
1°        houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie C dat werd behaald in een andere

Lidstaat van de Europese Unie;
2°        houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep C, mits dat uiterlijk op

9 september 2009 is afgegeven.

§ 2. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie D zijn bestuurders die :
1°        houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie D dat werd behaald in een andere

Lidstaat van de Europese Unie;
2°        houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep D, mits dat uiterlijk op

9 september 2008 is afgegeven.

HOOFDSTUK 2. - Het bewijs van vakbekwaamheid

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Artikel 6

§ 1. Vakbekwaam voor de groep C is de bestuurder die geslaagd is voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen voor het besturen van een voertuig van groep C of die hiervan is vrijgesteld overeenkomstig artikel 5, § 1, 2° en die voldoet aan de bepalingen van dit besluit betreffende de nascholing.

Vakbekwaam voor de groep D is de bestuurder die geslaagd is voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen voor het besturen van een voertuig van groep D of die hiervan is vrijgesteld overeenkomstig artikel 5, § 2, 2° en die voldoet aan de bepalingen van dit besluit betreffende de nascholing.

§ 2. Ten bewijze van het bezit van de vakbekwaamheid wordt op het document bedoeld in artikel 8, § 1, een communautaire code 95 aangebracht.

Artikel 7

§ 1. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid C is vastgesteld op 18 jaar. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid D is vastgesteld op 21 jaar.

§ 2. Evenwel kan elke kandidaat van tenminste 18 jaar een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen dat enkel geldig is voor geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 kilometer bedraagt.

Elke kandidaat van tenminste 20 jaar kan een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen dat enkel geldig is voor personenvervoer binnen het Rijk.

§ 3. Het loutere feit van het bereiken van de leeftijd van 20 jaar doet de voorwaarde vermeld in § 2, eerste lid vervallen.

Het loutere feit van het bereiken van de leeftijd van 21 jaar doet de voorwaarde vermeld in

§ 2, tweede lid vervallen.

§ 4. Indien een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid werd afgeleverd, kan het bewijs van vakbekwaamheid ten vroegste worden verkregen zes maanden na aflevering van dat voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid.

Afdeling 2. - Afgifte van het bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 8

§ 1. De communautaire code 95, gevolgd door de vervaldatum van het bewijs van vakbekwaamheid, wordt op vertoon van een getuigschrift van basiskwalificatie C, van een getuigschrift van basiskwalificatie D, of van een document waaruit blijkt dat één van deze getuigschriften werd bekomen in een andere Lidstaat van de Europese Unie, opgenomen op :
1°        het rijbewijs, achter de rijbewijscategorie waarvoor de vakbekwaamheid geldig is;
2°        het bestuurdersattest voor personen die goederenvervoer verrichten en die geen houder

zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs;
3°        het daartoe bestemde certificaat voor de personen die personenvervoer verrichten en die

geen Belgisch of Europees rijbewijs bezitten.

Het model van dit certificaat wordt vastgelegd door de Minister.

§ 2. De communautaire code 95 wordt opgenomen :
1°        door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs

op het in § 1, 1° bepaalde document;
2°        door de Minister of door zijn gemachtigde op het in § 1, 2° en 3° bepaalde document.

§ 3. De overheid bedoeld in § 2 gaat, alvorens een bewijs van vakbekwaamheid te

verlenen, de geldigheid na van de getuigschriften van basiskwalificatie die werden

behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie of van één van de documenten

waaruit blijkt dat een dergelijk getuigschrift werd bekomen in een andere Lidstaat van de

Europese Unie.

De bestuurder levert in dit geval het bewijs dat hij overeenkomstig artikel 3, § 3 niet in België een getuigschrift van basiskwalificatie diende te bekomen.

§ 4. In de gevallen bepaald in artikel 5, § 1, 2° en in artikel 5, § 2, 2° wordt de communautaire code 95 opgenomen op het in § 1 bepaalde document overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.

§ 5. Na de verwerving van het bewijs van vakbekwaamheid worden per gevolgde nascholingsmodule van tenminste zeven uur, zeven kredietpunten toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 45. Kredietpunten die werden toegekend naar aanleiding van cursussen die meer dan vijf jaar geleden werden gevolgd, worden uit het kredietsaldo verwijderd.

Afdeling 3. - Geldigheid van het bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 9

§ 1. De overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs brengt op het rijbewijs aan voor welke categorie het bewijs van vakbekwaamheid geldig is. De geldigheid wordt als volgt bepaald :
1°        het bewijs van vakbekwaamheid C is geldig voor het besturen van voertuigen van de

categorieën C en C+E en de subcategorieën C1 en C1+E indien de bestuurder over een

rijbewijs beschikt, geldig voor deze categorieën;
2°        het bewijs van vakbekwaamheid D is geldig voor het besturen van voertuigen van de

categorieën D en D+E en de subcategorieën D1 en D1+E indien de bestuurder over een

rijbewijs beschikt, geldig voor deze categorieën.

§ 2. Indien de houder van een bewijs van vakbekwaamheid een rijbewijs behaalt voor één van de categorieën waarvoor het bewijs van vakbekwaamheid geldig is, wordt dit door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs aangebracht op het rijbewijs op het moment dat dit rijbewijs wordt afgeleverd.

Artikel 10

Het bewijs van vakbekwaamheid heeft een geldigheidsduur van vijf jaar en kan verlengd worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.

In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid van de in artikel 5, § 1, 2° en artikel 5, § 2, 2° bedoelde bestuurders bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.

Artikel 11

Bestuurders die overeenkomstig artikel 5, § 1, 2° of artikel 5, § 2, 2° zijn vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie, maar die binnen de termijn bepaald in artikel 73 geen bewijs van vakbekwaamheid verkregen, kunnen het bewijs van vakbekwaamheid alsnog verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.

Afdeling 4. - Verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 12

De overheid bedoeld in artikel 8, § 2 verleent of verlengt het bewijs van vakbekwaamheid op basis van de getuigschriften van nascholing, afgeleverd door een opleidingscentrum in één van de Lidstaten van de Europese Unie of door de bevoegde autoriteiten van één van de Lidstaten van de Europese Unie. De betrokkene levert in dit geval het bewijs dat hij overeenkomstig artikel 3, § 4, derde lid dit getuigschrift van nascholing in een andere lidstaat van de Europese Unie kon bekomen.

Artikel 13

§ 1. De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid wordt, ook wanneer de geldigheidsduur ervan verstreken is, verlengd voor een periode van vijf jaar door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2 indien de bestuurder aantoont dat hij ten minste 35 kredietpunten heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging. Op het ogenblik van de verlenging worden 35 kredietpunten in mindering gebracht op het kredietpuntensaldo.

§ 2. De geldigheidsduur van het oorspronkelijke bewijs van vakbekwaamheid van de bestuurder die slaagt voor het examen bedoeld in artikel 43 van dit besluit, wordt verlengd zodanig dat de geldigheidsduur van het oorspronkelijke bewijs van vakbekwaamheid wordt afgestemd op de geldigheidsduur van het aanvullende bewijs van vakbekwaamheid.

§ 3. De verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid wordt toegekend voor elke categorie waarvoor de bestuurder over een getuigschrift van basiskwalificatie beschikt of daarvan overeenkomstig artikel 5 is vrijgesteld.

HOOFDSTUK 3. - Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Artikel 14

Een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid kan worden verkregen door de kandidaat die een alternerende beroepsopleiding wegvervoer volgt in een door de Minister erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding.

Het model van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt vastgelegd door de Minister.

Artikel 15

De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is vastgesteld op 18 jaar.

Afdeling 2. - Afgifte van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid

Artikel 16

Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs tegen overlegging van een aanvraagformulier om een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid.

Artikel 17

Het centrum voor alternerende beroepsopleiding attesteert dat de aanvrager ingeschreven is in dat centrum door afgifte van een aanvraagformulier om een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid.

Artikel 18

Het model van het aanvraagformulier om een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt vastgelegd door de Minister.


Afdeling 3. - Geldigheid van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid

Artikel 19

De overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs brengt op het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid aan voor welke categorie het geldig is.

Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen voor goederen- en personenvervoer over de weg waarin de opleiding voorziet.

Artikel 20

§ 1. De geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt vermeld op het document bedoeld in artikel 14.

Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is geldig voor een duur van één jaar.

§ 2. De geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid kan niet worden verlengd.

§ 3. Indien de houder van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid vervallen verklaard is van het recht om een voertuig van de categorie of subcategorie te besturen waarvoor het document is geldig verklaard, wordt de geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd. Bij teruggave van het document, overeenkomstig artikel 69 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, verlengt de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs de geldigheid van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest.

TITEL III. - EXAMENS

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 21

§ 1. Voor het verkrijgen van een rijbewijs voor het besturen van voertuigen van groep 2 dient de kandidaat te slagen voor een theorie- en een praktijkexamen georganiseerd door een erkende exameninstelling overeenkomstig de bepalingen van deze titel.

Voor het verkrijgen van een getuigschrift van basiskwalificatie voor het besturen van voertuigen van groep 2 dient de kandidaat te slagen in een theorie- en een praktijkexamen georganiseerd door een erkende exameninstelling overeenkomstig de bepalingen van deze titel.

De hiervoor bedoelde examens met het oog op het behalen van een rijbewijs kunnen worden gecombineerd met de examens met het oog op het bewijs van het behalen van een bewijs van basiskwalificatie.

In de gevallen bedoeld in artikel 26, § 3 kan een getuigschrift van basiskwalificatie worden behaald door het afleggen van een aanvullend examen in de zin van artikel 43.

§ 2. Elk examencentrum of elke exameninstelling maakt de gegevens met betrekking tot de resultaten van de in § 1 vermelde examens op elektronische wijze over aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister.

De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen het voorwerp uitmaken van een verwerking

met het oog op de doelstellingen die worden vermeld in artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 3. De Minister bepaalt de organisatie van de examens, na advies van een commissie van deskundigen.

HOOFDSTUK 2. - Exameninstellingen

Artikel 22

De Minister erkent de exameninstellingen die de examens organiseren.

De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend.

Artikel 23

§ 1. Om te worden erkend, dient de kandidaat-exameninstelling te voldoen aan de volgende algemene voorwaarden :
1°        elke kandidaat-exameninstelling dient te beschikken over een gepaste infrastructuur,

inzonderheid lokalen en terreinen buiten het verkeer, alsook het materiaal dat nodig is om

de theoretische en de praktische examens bedoeld in deze titel af te nemen. Indien de

kandidaat-exameninstelling beroep doet op een examencentrum, moet elk van haar centra

aan deze voorwaarden voldoen;
2°        elke kandidaat-exameninstelling, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, verbindt zich

ertoe om binnen de drie jaar na de erkenning ISO 9000 gecertificeerd te zijn;
3°        elke kandidaat-exameninstelling, met uitzondering van deze die door of krachtens een

wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk

stads- en streekvervoer en van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt zich

ertoe elk van de in deze titel vermelde examens minstens één maal per maand voor elk

van de categorieën bepaald in artikel 3, § 1 te organiseren, alsook telkens er 25

inschrijvingen zijn voor één van deze examens. Indien de exameninstelling beroep doet

op examencentra, dient zij zich daartoe voor elk centrum te verbinden;
4°        elke kandidaat-exameninstelling, met uitzondering van deze die door of krachtens een

wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk

stads- en streekvervoer en van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt zich

ertoe alle examens bedoeld in deze titel te organiseren;
5°        elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe dat de examens bedoeld in deze titel,

uitgezonderd de computergestuurde examens, worden afgenomen door erkende

examinatoren;
6°        elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe binnen het kader van de haar gegeven

erkenning de meest recente versie van de door de International Test Commission,

uitgegeven « Internationale richtlijnen voor het gebruik van de tests » toe te passen. Elke

exameninstelling verbindt zich er eveneens toe bij het organiseren van de tests op PC de

meest recente versie toe te passen van de specifieke bepalingen die voor testgebruikers

zijn voorzien in de « International Guidelines on Computer-Based and Internet Delivered

Testing » door de International Test Commission;
7°        elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe jaarlijks een activiteitenverslag op te

stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar over te maken aan de

Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De Minister bepaalt de onderwerpen die

daarin aan bod moeten komen;
8°        elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe voor de examenstof waarvoor de

Minister of zijn gemachtigde een lijst met mogelijke vragen heeft opgesteld, de vragen

enkel te putten uit deze lijst op de wijze door de Minister bepaald;
9°        elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich er toe deel te nemen aan de vergaderingen

die de Minister of zijn gemachtigde organiseert;
10°      elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe de instructies van de Minister of zijn

gemachtigde in uitvoering van de bepalingen van dit besluit, uit te voeren;
11°      elke kandidaat-exameninstelling levert aan de Minister of zijn gemachtigde al dan niet

periodiek en al dan niet nominatief alle informatie en statistieken met betrekking tot de

uitoefening van haar opdracht. De informatie en statistieken kunnen vrij gebruikt en

gepubliceerd worden door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

§ 2. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden :
1°        de exameninstelling levert het bewijs dat ze blijvend voldoet aan de voorwaarden vermeld

in § 1 en § 3;
2°        de exameninstelling, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, levert een geldig bewijs van

een ISO-9000 certificatie;
3°        de exameninstelling heeft jaarlijks een activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk

tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst

Mobiliteit en Vervoer.

§ 3. De door de Minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53 kunnen de examens bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop ervan.
Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt de exameninstelling hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande examens mee.

Artikel 24

§ 1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Bij de aanvraag tot erkenning moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld :
1°        de kennis met betrekking tot de examenstof opgenomen in  « de bijlage 1 bij dit besluit »

en in bijlagen 4 en 5 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs met betrekking tot

de categorieën van voertuigen van groep 2; <KB 2008-09-18; art. 2; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

2°        de maatregelen die de exameninstelling reeds heeft genomen op het moment van de

aanvraag en nog zal nemen om binnen de drie jaar ISO 9000 gecertificeerd te zijn. Deze

verplichting geldt niet voor de onderwijsinstellingen;
3°        de informatie waaruit blijkt dat voldaan is aan elk van de in artikel 23, § 1 vermelde

voorwaarden.

§ 2. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 23, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

§ 3. De Minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen.

§ 4. De Minister verleent een erkenningsnummer aan elke erkende exameninstelling.

Artikel 25

§ 1. De examinatoren belast met de in deze titel bepaalde examens worden aangeworven en bezoldigd door de in dit hoofdstuk bedoelde exameninstellingen. Ze zijn door de Minister of zijn gemachtigde erkend en voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 26, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. De Minister kan, na de betrokkene en desgevallend de directeur van de exameninstelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinator opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

HOOFDSTUK 3. - Examens

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Artikel 26

§ 1. Elke kandidaat-bestuurder legt de hierna bepaalde examens af in de voor hem toegankelijke exameninstelling van zijn keuze.

§ 2. De kandidaat voor het theoretisch examen rijbewijs geldig voor de voertuigen van groep 2 dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het praktisch examen rijbewijs geldig voor de voertuigen van groep 2 dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het theoretisch examen basiskwalificatie dient te voldoen aan de

voorwaarden gesteld in artikel 30.

De kandidaat voor het praktisch examen basiskwalificatie dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 32, 33 en 34.

De kandidaat voor het gecombineerd theoretisch examen dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 37.

De kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 39, 40 en 41 van dit besluit.

§ 3. De bestuurder die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid C, kan een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen door het afleggen van een aanvullend examen zoals bepaald in artikel 43.

De bestuurder die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid D, kan een bewijs van vakbekwaamheid C verkrijgen door het afleggen van een aanvullend examen zoals bepaald in artikel 43.

§ 4. Elke kandidaat voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen basiskwalificatie, zoals bepaald in dit hoofdstuk, moet voldoen aan de volgende voorwaarden :
1°        de kandidaat moet een rijbewijs voorleggen dat geldig is voor:
-           de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de

categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1; deze bepaling is niet van toepassing

op de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7° van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs;
-           het besturen van het overeenstemmend trekkend voertuig wanneer het gaat om een

kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C+E of D+E of voor de subcategorie

C1+E of D1+E; deze bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 4,

7° en 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;

2°        de kandidaat mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig van groep 2 te

besturen en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38

van de wet worden opgelegd;
3°        de kandidaat moet voldoen aan de bepalingen van artikel 42 van het koninklijk besluit

betreffende het rijbewijs.

Artikel 27

§ 1. De kandidaat die noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, mag de theoretische examens afleggen, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door de exameninstelling en door de kandidaat wordt vergoed.

Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal of idioom spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden.

Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. De Minister of zijn gemachtigde kan van deze bepaling afwijken voor de exameninstellingen die hem een onderling afgesproken beurtregeling of werkverdeling per taalrol voorleggen waaraan hij zijn goedkeuring verleent.

§ 2. De kandidaat die noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, kan zich voor de praktische examens op eigen kosten laten bijstaan door een tolk gekozen uit de beëdigde vertalers.

§ 3. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, de theoretische examens afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister of zijn gemachtigde. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in één van deze gevallen bevindt door het overleggen van een getuigschrift of attest van een psychisch-medisch-sociaal centrum, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.

§ 4. De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor één van de hierna vermelde theoretische examens kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting afleggen. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

Afdeling 2. - Examen rijbewijs

Artikel 28

Het theoretisch examen rijbewijs en het praktisch examen rijbewijs verlopen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, uitgezonderd de bepalingen vervat in Titel III, Hoofdstuk IV, Afdelingen 1 en 2, uitgezonderd de paragrafen 3 en 5 van artikel 32 en uitgezonderd artikel 48 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Afdeling 3. - Examen basiskwalificatie

Onderafdeling 1. - Theoretisch examen basiskwalificatie

Artikel 29

Het theoretisch examen basiskwalificatie bepaald in artikel 21, § 1, tweede lid heeft betrekking op de stof die in « de bijlage 1 » wordt opgesomd. Het theorie-examen basiskwalificatie bestaat uit drie delen : <KB 2008-09-18; art. 3; Inwerkingtreding:
10-09-2008>

1°        100 vragen waarbij uit meerdere antwoorden kan worden gekozen, dan wel vragen

waarop één antwoord moet worden gegeven, of een combinatie van de twee systemen.

Deze proef duurt 100 minuten;
2°        casestudy's. Deze proef duurt 80 minuten;
3°        een mondelinge proef. Deze proef duurt 60 minuten.

Het theoretisch examen basiskwalificatie wordt beoordeeld en verbeterd op de wijze bepaald door de Minister. De kandidaten beschikken over minstens vier uren om het theorie-examen af te leggen.

De inschrijving voor het theoretisch examen basiskwalificatie gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

« Elk geslaagd deel van het theoretisch examen blijft geldig gedurende drie jaar. »
<KB 2008-11-28; art. 1; Inwerkingtreding: 10-09-2008>.

Artikel 30

§ 1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretisch examen basiskwalificatie is de leeftijd bepaald in artikel 32 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. Om toegelaten te worden tot het theoretisch examen basiskwalificatie voor het behalen van het getuigschrift van basiskwalificatie geldig voor voertuigen van groep 2, moet de kandidaat - naast de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4 - tevens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1°        het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs

voorleggen indien hij een onderdaan is van de Europese Unie;
2°        een document voorleggen waaruit blijkt dat hij in dienst is van of werkt voor een

onderneming die gevestigd is in het Rijk indien hij een onderdaan is van een derde land.

§ 3. De aangestelde van de exameninstelling bevestigt het slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie op het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie.

Het model van het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie wordt door de Minister vastgelegd.

Onderafdeling 2. - Praktisch examen basiskwalificatie

Artikel 31

Het praktisch examen basiskwalificatie bepaald in artikel 21, § 1, tweede lid heeft betrekking op de stof die in « de bijlage 1 » wordt opgesomd.

<KB 2008-09-18; art. 4; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de groep C indien een bewijs van vakbekwaamheid C wordt aangevraagd.

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de groep D indien een bewijs van vakbekwaamheid D wordt aangevraagd.

Het examen wordt beoordeeld op de door de Minister bepaalde wijze.

De inschrijving voor het praktisch examen basiskwalificatie gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Artikel 32

Om toegelaten te worden tot het praktisch examen basiskwalificatie moet de kandidaat geslaagd zijn voor het theoretisch examen basiskwalificatie. De geldigheidsduur van het theoretisch examen is beperkt tot drie jaar.

Artikel 33

Om toegelaten te worden tot het praktisch examen basiskwalificatie met het oog op het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E legt de kandidaat voor :
1°        het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs indien het onderdanen van de Europese Unie betreft;
2°        een document waaruit blijkt dat de kandidaat in dienst is van of werkt voor een

onderneming die gevestigd is in het Rijk indien het onderdanen van een derde land

betreft;
3°        de documenten om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4;
4°        een attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie;
5°        het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het

behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;
6°        het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig

waarmee hij zich aanbiedt;
7°        het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;
8°        het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische

controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;
9°        in voorkomend geval, het Belgisch of Europees rijbewijs van de begeleider, geldig voor

het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen wordt afgelegd alsook het

document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs

waarvan de begeleider houder is.

Artikel 34

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 6 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C1 biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C1+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 10 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 8 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D1 biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 11 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D1+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 12 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Artikel 35

§ 1. Het praktisch examen basiskwalificatie bestaat uit twee delen :
1°        een rijtest op de openbare weg van minstens 90 minuten. Evenwel kan een test op een

speciaal terrein of in een hoogwaardige simulator, onder de voorwaarden bepaald door de

Minister, voor maximaal 30 minuten worden meegeteld voor het bereiken van de vereiste

duur van 90 minuten;
2°        een praktische test die ten minste de punten 1.4, 1.5, 1.6, 3.2, 3.3 en 3.5 van « de bijlage

1»  bestrijkt. Deze test duurt ten minste 30 minuten <KB 2008-09-18; art. 5; Inwerking-treding: 10-09-2008>

« Elk geslaagd deel van het praktisch examen blijft geldig gedurende drie jaar. »
<KB 2008-11-28, art. 2; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 2. Tijdens de proef op de openbare weg neemt de examinator plaats in het voertuig. Indien de bestuurder nog niet over een rijbewijs beschikt, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. Indien het voertuig bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 27, § 2 mogen

enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§ 3. De examinator beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider.

§ 4. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vastgesteld door de Minister.

§ 5. De examinator bevestigt het slagen van de kandidaat voor het praktisch examen door aflevering van een getuigschrift van basiskwalificatie met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan.

Het model van het getuigschrift van basiskwalificatie wordt door de Minister vastgelegd.

« De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 10 begint te

lopen vanaf het moment van afgifte van het getuigschrift van basiskwalificatie. »
<KB 2008-11-28, art. 2; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Afdeling 4. - Gecombineerd examen

Onderafdeling 1. - Gecombineerd theoretisch examen

 

Artikel 36

Het gecombineerd theoretisch examen bepaald in artikel 21, § 1, derde lid heeft betrekking op de stof die in « de bijlage 1 bij dit besluit » en in bijlage 4 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs wordt opgesomd <KB 2008-09-18; art. 6; Inwerkingtreding:

10-09-2008>

Het gecombineerd theoretisch examen bestaat uit drie delen :
1°        100 vragen waarbij uit meerdere antwoorden kan worden gekozen, dan wel vragen

waarop één antwoord moet worden gegeven, of een combinatie van de twee systemen.

Deze proef duurt 100 minuten;
2°        casestudy's. Deze proef duurt 80 minuten;
3°        een mondelinge proef. Deze proef duurt 60 minuten.

Het gecombineerd theoretisch examen wordt beoordeeld en verbeterd op de wijze door de Minister bepaald.

De kandidaten beschikken over minstens vier uren om het theorie-examen af te leggen.

De inschrijving voor het gecombineerd theoretisch examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

« Elk geslaagd deel van het theoretisch examen blijft geldig gedurende drie jaar. »
<KB 2008-11-28, art. 3; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Artikel 37

§ 1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het gecombineerd theoretisch examen is de leeftijd bepaald in artikel 32 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. Om toegelaten te worden tot het gecombineerd theoretisch examen, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden :
1°        het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs voorleggen;
2°        voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4.

§ 3. De examinator of de aangestelde van het examencentrum bevestigt het slagen voor het gecombineerde theoretisch examen op de aanvraag om een rijbewijs of op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie zoals bedoeld in artikel 30, § 3.

Onderafdeling 2. - Gecombineerd praktisch examen

Artikel 38

Het gecombineerd praktisch examen bepaald in artikel 21, § 1, derde lid heeft betrekking op de stof die in « de bijlage 1 bij dit besluit » en bijlage 5 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs wordt opgesomd  <KB 2008-09-18; art. 7; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie of subcategorie waarvoor het rijbewijs en het bewijs van vakbekwaamheid worden aangevraagd.

De inschrijving voor het gecombineerd praktisch examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Het gecombineerd praktisch examen wordt beoordeeld op de wijze door de Minister bepaald.

Artikel 39

Om toegelaten te worden tot het gecombineerd praktisch examen moet de kandidaat geslaagd zijn voor het gecombineerd theoretisch examen vermeld in artikel 36. De geldigheidsduur van het gecombineerd theoretisch examen is beperkt tot drie jaar.

Artikel 40

Om toegelaten te worden tot het gecombineerd praktisch examen legt de kandidaat voor :
1°        het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs;
2°        het hierna opgesomde document dat op de kandidaat van toepassing is:
a)         de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor het theoretisch examen is

aangebracht.
In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool voor;

b)   het nog geldig voorlopig rijbewijs.
Het voorlopig rijbewijs is, in voorkomend geval, vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs gevolgd zijn;

c)    een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° of 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs bedoelde opleiding gevolgd heeft;

3°   de documenten om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4;

4°   het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;

5°   het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

6°   het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

7°   het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

8°   in voorkomend geval, het Belgisch of Europees rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is.

Artikel 41

De kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen legt dat examen af met een voertuig, overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Artikel 42

§ 1. Het gecombineerd praktisch examen bestaat uit drie delen :
1°        een rijtest op de openbare weg van minstens 90 minuten. Evenwel kan een test op een

speciaal terrein of in een hoogwaardige simulator, onder de voorwaarden bepaald door de

Minister, voor maximaal 30 minuten worden meegeteld voor het bereiken van de vereiste

duur van 90 minuten;
2°        een praktische test die ten minste de punten 1.4, 1.5, 1.6, 3.2, 3.3 en 3.5 van « de bijlage

1» bestrijkt. Deze test duurt ten minste 30 minuten; <KB 2008-09-18; art. 8; Inwerking-

treding: 10-09-2008>
3°        een proef op een terrein buiten het verkeer zoals bedoeld in artikel 39, § 1, eerste lid, 3°

van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Deze proef duurt minstens 15 minuten voor de categorieën C en D en de subcategorieën C1 en D1.

Deze proef duurt minstens 30 minuten voor de categorie C+E en de subcategorie C1+E.

Deze proef duurt minstens 25 minuten voor de categorie D+E en de subcategorie D1+E.

« Elk geslaagd deel van het praktisch examen blijft geldig gedurende drie jaar. »
<KB 2008-11-28, art. 4; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 2. Tijdens de proef op de openbare weg moet de examinator plaatsnemen in het voertuig.
Indien de bestuurder nog niet over een rijbewijs beschikt, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen.

Indien het voertuig bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 27, § 2 mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§ 3. De examinator beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider.

§ 4. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria bepaald door de Minister.

§ 5. De examinator bevestigt het slagen van de kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen enerzijds, door aflevering van een getuigschrift van basiskwalificatie en anderzijds, op de aanvraag om een rijbewijs, beide met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In het geval bedoeld in artikel 44 wordt het slagen voor het praktisch examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

« De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 10 begint te lopen vanaf het moment van afgifte van het getuigschrift van basiskwalificatie. »
<KB 2008-11-28, art. 4; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Na een eerste of een tweede niet geslaagd praktisch examen, brengt de examinator op het voorlopig rijbewijs de vermelding "niet geslaagd" aan, de datum van het examen, zijn naam, zijn handtekening en de stempel van de exameninstelling.

Afdeling 5. - Aanvullend examen basiskwalificatie

Artikel 43

De in artikel 26, § 3 bedoelde bestuurders kunnen een aanvullend examen afleggen. Het aanvullend theoretisch examen is beperkt tot de in « de bijlage 1 » genoemde onderwerpen betreffende de voertuigen waarop de nieuwe basiskwalificatie betrekking heeft.

<KB 2008-09-18; art. 9; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Dit examen verloopt overeenkomstig artikel 29, lid 2 en 3 en artikel 30.

Het aanvullend praktisch examen dient te worden afgelegd overeenkomstig de artikelen 31 tot en met 35.

HOOFDSTUK 4. - Beroep in geval van niet slagen voor het praktisch examen

Artikel 44

§ 1. Na twee mislukkingen voor hetzelfde type praktisch examen vermeld in dit besluit, kan tegen die tweede beslissing beroep worden ingediend bij de commissie bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Dit beroep moet ingediend worden binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het mislukken.

Dit beroep wordt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van de beroepscommissie. De in artikel 61 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze. Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald.

Het beroep, ondertekend door de kandidaat, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede de exameninstelling waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd.

§ 2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht.

Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt de mislukking.

Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw examen af te leggen na

afloop van de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs waarvan de verzoeker houder was; zij bepaalt onder welke voorwaarden het examen plaats heeft.

TITEL IV. - DE NASCHOLING

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 45

§ 1. De nascholing waarvan sprake in artikel 3, § 4 houdt het volgen in van lessen in een opleidingscentrum. Aan de bestuurder die een nascholingsmodule van ten minste zeven uur heeft gevolgd, wordt door het opleidingscentrum een getuigschrift van nascholing afgeleverd.

Het model van het in lid 1 bedoelde getuigschrift van nascholing wordt door de Minister bepaald.

De nascholing kan ten dele worden gegeven met behulp van hoogwaardige simulatoren.

§ 2. Elk opleidingscentrum maakt de gegevens met betrekking tot de georganiseerde nascholing en de deelnemers aan deze cursussen op elektronische wijze over aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, volgens de modaliteiten bepaald door de Minister.

De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen het voorwerp uitmaken van een verwerking met het oog op de doelstellingen die worden vermeld in artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 3. Voor elke nascholingscursus worden per gevolgde module van ten minste zeven uur, zeven kredietpunten toegekend.

HOOFDSTUK 2. - Opleidingscentra

Artikel 46

De Minister erkent de opleidingscentra die de nascholing organiseren.

Een erkenning kan worden verleend voor alle aspecten van de nascholing. Evenwel kan een deelerkenning worden verkregen beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het goederenvervoer. Eveneens kan een deelerkenning worden verkregen beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het personenvervoer.

De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend.

Artikel 47

§ 1. Om te worden erkend dient het kandidaat-opleidingscentrum te voldoen aan de volgende voorwaarden :
1°       « elk opleidingscentrum moet beschikken over een gepaste infrastructuur alsook het

pedagogisch materiaal voorzien in bijlage 2; »;

<KB 2008-09-18; art. 10; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

2°        elk kandidaat-opleidingscentrum, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, verbindt zich er

toe om binnen een termijn van drie jaar na de erkenning een Q*for-, ISO- of CEDEO-

certificaat, een EFQM-erkenning of andere certificaten of erkenningen die door de

Minister aanvaard worden, te bekomen;
3°        elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich ertoe jaarlijks een activiteitenverslag op te

stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar over te maken aan de

Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De Minister bepaalt de onderwerpen die

daarin aan bod moeten komen;
4°        elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich ertoe een modulair opgebouwd

opleidingsprogramma aan te bieden waarin de voor de gevraagde erkenning of

deelerkenning van toepassing zijnde onderwerpen uit « de bijlage 1 »  behandeld

worden. Elke module omvat minstens zeven uren nascholing. Dit programma moet

initieel de goedkeuring ontvangen van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en

Vervoer. <KB 2008-09-18; art. 10; Inwerkingtreding: 10-09-2008>
Indien de gevraagde erkenning zich beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het goederenvervoer moet uit dit opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit die betrekking hebben op het goederenvervoer, onderwezen worden.
Indien de gevraagde erkenning zich beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het personenvervoer moet uit dit opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit die betrekking hebben op het personenvervoer onderwezen worden;

5°        elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe op de door de Minister bepaalde

wijze elke wijziging aan het programma (..) voor goedkeuring mee te delen aan de

Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die binnen een termijn van zestig dagen

de wijzigingen goed- of afkeurt;

<KB 2008-09-18; art. 10; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

6°        elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de nascholing wordt gegeven

conform het goedgekeurde opleidingsprogramma;

7°        « elk kandidaat-opleidingcentrum verbindt zich er toe dat de instructeurs beschikken over

een afdoende professionele ervaring in de onderwezen materie en op de hoogte zijn en rekening houden met de meest recente ontwikkelingen in de beroepsopleidingsvoor-schriften en -eisen en dat ze didactisch en pedagogisch onderlegd zijn; »;

<KB 2008-09-18; art. 10; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

8°        elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de instructeurs van het

praktijkgedeelte van de opleiding minstens zeven jaar beschikken over het rijbewijs voor

de betrokken categorie of subcategorie;
9°        elk kandidaat-opleidingscentrum, met uitzondering van deze die door of krachtens een

wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk

stads- en streekvervoer alsook van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt er

zich toe bij de inschrijving voor de nascholing binnen de twee maanden de opleiding te

organiseren, ongeacht het aantal inschrijvingen.

10°      « elk opleidingscentrum moet beschikken over een directeur, die het opleidingscentrum

vertegenwoordigt bij de openbare instellingen en die verantwoordelijk is voor de

organisatie van de opleiding en voor de administratieve taken; »;

<Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 10; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

11° « elk opleidingscentrum moet beschikken over minstens één computer met

internetverbinding met het oog op de elektronische communicatie van de gegevens

betreffende de georganiseerde nascholing en de deelnemers aan de cursussen alsook de

behaalde kredietpunten via een webservice van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en

Vervoer »  <Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 10; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 2. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
1°        het opleidingscentrum levert het bewijs dat het blijvend voldoet aan de voorwaarden

vermeld in § 1, 4 en 5;
2°        het opleidingscentrum, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, levert het bewijs te

beschikken over een Q*for-, ISO- of CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of andere

certificaten of erkenningen die door de Minister aanvaard worden;
3°        het opleidingscentrum heeft jaarlijks een activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk

tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst

Mobiliteit en Vervoer.

§ 3. Bij gebrek aan beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het opleidings-programma binnen zestig dagen na ontvangst ervan, wordt de goedkeuring ervan geacht te zijn verleend.

§ 4. De door de Minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53, kunnen de nascholing bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop van de opleidingen.

Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt het opleidingscentrum hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande nascholing mee.

Artikel 48

§ 1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Bij de aanvraag moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld :
1°        de maatregelen die het opleidingscentrum reeds heeft genomen op het moment van de

aanvraag en nog zal nemen om binnen drie jaar het bewijs te leveren dat een Q*for-, een

ISO-, een CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of een ander certificaat of erkenning

die door de Minister is aanvaard, is verkregen. Deze verplichting geldt niet voor de

onderwijsinstellingen;
2°        « de lijst van de instructeurs belast met de nascholing alsook de identiteit van de

directeur; »; <KB 2008-09-18; art. 11; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

3°        informatie over de cursusruimten en het lesmateriaal. Deze informatie omvat voor de

opleidingen « rationeel rijden » eveneens de informatie met betrekking tot de voor de

praktijklessen beschikbare middelen en het gebruikte wagenpark;
4°        de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, onder meer het vereiste aantal

deelnemers;
5°        de informatie waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 47, § 1 vermelde voorwaarden is

voldaan.

« De Minister levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen

vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn

aanvraag » <Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 11; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 2. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 47, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

« De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste zes

maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De Minister levert de vernieuwing van de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag. » <Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 11; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 3. De Minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen.

§ 4. De Minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum.

« De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden

gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. » <Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 11; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

TITEL V. - ALTERNERENDE BEROEPSOPLEIDING

HOOFDSTUK 1. - Centra voor alternerende beroepsopleiding

Artikel 49

De Minister erkent de centra voor alternerende beroepsopleiding.

De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend.

Artikel 50

§ 1. Om te worden erkend, dient het centrum voor alternerende beroepsopleiding te voldoen aan volgende voorwaarden :
1°        elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding beschikt over een erkenning

overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de gewesten of

overeenkomstig de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen uitgeoefend door

werknemers in loondienst, met inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs;
2°        elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich ertoe een

alternerende beroepsopleiding wegvervoer aan te bieden met een minimumduur van zes

maanden, waarin onderwerpen uit « de bijlage 1 »  onderwezen worden.

Indien het een alternerende beroepsopleiding goederenvervoer betreft, moet uit het

opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit « de bijlage 1 »  die betrekking

hebben op het goederenvervoer onderwezen worden.

Indien het een alternerende beroepsopleiding personenvervoer betreft, moet uit het

opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit « de bijlage 1 »  die betrekking

hebben op het personenvervoer onderwezen worden;

<KB 2008-09-18; art. 12; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

3°        elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich er toe jaarlijks

een activiteitenverslag op te stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend

jaar over te maken aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De Minister

bepaalt de onderwerpen die daarin aan bod moeten komen;
4°        elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich er toe initieel het

programma van de alternerende beroepsopleiding wegvervoer voor goedkeuring voor te

leggen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
5°        elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich er toe op de door

de Minister bepaalde wijze elke wijziging aan het opleidingsprogramma (…) voor goedkeuring mee te delen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die binnen een termijn van zestig dagen de wijzigingen goed- of afkeurt.
<KB 2008-09-18; art. 12; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 2. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd, dient te worden voldaan aan volgende voorwaarden :
1°        het centrum voor alternerende beroepsopleiding levert het bewijs dat het blijvend voldoet

aan de voorwaarden vermeld in § 1, 4 en 5;
2°        het centrum voor alternerende beroepsopleiding levert het bewijs te beschikken over een

erkenning overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de

gewesten of overeenkomstig de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen uitgeoefend

door werknemers in loondienst, met inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het

onderwijs;
3°        het erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding heeft jaarlijks een

activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend

jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

§ 3. Bij gebrek aan beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het opleidings-programma binnen zestig dagen na ontvangst ervan, wordt de goedkeuring ervan geacht te zijn verleend.

§ 4. De door de Minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53, kunnen de alternerende beroepsopleiding wegvervoer bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop van de opleidingen.

Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt het centrum voor alternerende beroepsopleiding hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande opleiding mee.

Artikel 51

§ 1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Bij de aanvraag moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld :
1°        het bewijs dat het centrum erkend is overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de

gemeenschappen, de gewesten, of de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen

uitgeoefend door werknemers in loondienst of het koninklijk besluit nr. 495 van 31

december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding

voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale

zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, met

inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs;
2°        het bewijs dat het centrum voor alternerende beroepsopleiding een alternerende

beroepsopleiding wegvervoer aanbiedt;
3°        het bewijs dat de alternerende beroepsopleiding wegvervoer conform is aan de bepalingen

van dit besluit;
4°        de informatie waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 50, § 1 vermelde voorwaarden is

voldaan.

« De Minister levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen

vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn

aanvraag. »  <Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 13; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 2. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 50, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

« De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste zes maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De Minister levert de vernieuwing van de erkenning af binnen een termijn van drie

maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de

volledigheid van zijn aanvraag. »;

<Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 13; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 3. De Minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen.

§ 4. De Minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding.

« De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden

gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. »

<Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 13; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

HOOFDSTUK 2. - Alternerende beroepsopleiding wegvervoer

Artikel 52

§ 1. De alternerende beroepsopleiding wegvervoer op basis van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is aan de volgende voorwaarden onderworpen :

1°        De kandidaat:
a)         moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
b)         moet beantwoorden aan de in artikel 26, § 4 bepaalde algemene voorwaarden voor de

toelating tot het examen basiskwalificatie, tot het gecombineerd examen of tot het

aanvullend examen basiskwalificatie;
c)         mag geen houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid, geldig voor

dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen;
d)        moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldig voorlopig rijbewijs

vakbekwaamheid;
e)         moet, indien hij niet beschikt over het vereiste rijbewijs, vergezeld zijn van een begeleider

die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op het

voorlopige rijbewijs.

2°        Het voertuig:
a)         moet behoren tot de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor het voorlopig

rijbewijs vakbekwaamheid geldig is verklaard;
b)         moet voorzien zijn van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de

begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts;
c)         mag geen andere personen vervoeren dan deze bedoeld in artikel 9 van het koninklijk

besluit betreffende het rijbewijs;
d)        mag in commercieel verband geen goederen vervoeren indien het voorlopig rijbewijs

geldig is verklaard voor de categorieën D of D+E of de subcategorieën D1 of D1+E

indien de kandidaat niet beschikt over het rijbewijs dat geldig is voor de desbetreffende

categorie;
e)         moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken

"L", waarvan het model is bepaald door de Minister, indien de kandidaat niet beschikt

over het rijbewijs van de categorie of subcategorie waarvoor het voorlopig rijbewijs

vakbekwaamheid geldig is verklaard;
f)         mag geen aanhangwagen trekken als het voorlopig rijbewijs geldig verklaard is voor de

categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1.

3°        De begeleider :
a)         moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit betreffende het

rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
b)         moet beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid of daarvan zijn vrijgesteld

overeenkomstig artikel 73;
c)         moet op de datum van de afgifte van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig voor

de categorie C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E de leeftijd van 24 jaar hebben

bereikt en op de datum van de afgifte van het voorlopig rijbewijs van vakbekwaamheid

geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E de leeftijd van 27

jaar;
d)        moet sedert ten minste zes jaar houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch of

Europees rijbewijs geldig om het voertuig te besturen aan boord waarvan hij de kandidaat

vergezelt. De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45 van het

koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, enkel een speciaal aan zijn handicap

aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden;
e)         mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.

Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel

in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die eventueel

krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;
f)         moet vooraan in het voertuig plaatsnemen.

§ 2. De alternerende beroepsopleiding op basis van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid heeft een duur van minimaal 6 maanden en maximaal 12 maanden.

§ 3. Het programma van de alternerende beroepsopleiding heeft betrekking op de stof die in

« de bijlage 1 » wordt opgesomd en wordt voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.  <KB 2008-09-18; art. 14; Inwerkingtreding: 10-09-2008>


De Minister kan voorzien in nadere modaliteiten van goedkeuring van het programma van de alternerende beroepsopleiding.

TITEL VI. - ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. - Inspectie en controle

Artikel 53

De personen of organismen die door de Minister of door zijn gemachtigde worden belast met de inspectie en de controle op de naleving van dit besluit hebben toegang tot de lokalen van de examencentra, de opleidingscentra en de centra voor alternerende beroepsopleiding die erkend zijn overeenkomstig dit besluit. Zij mogen inzage nemen van alle documenten in verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.

Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde zijn de exameninstellingen, de opleidingscentra en de centra voor alternerende beroepsopleiding die zijn erkend overeenkomstig dit besluit, ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de toepassing van dit besluit.

Artikel 54

De Minister kan overgaan tot tijdelijke, gehele of gedeeltelijke opschorting of tot intrekking van de erkenning van de exameninstelling, het opleidingscentrum en het centrum voor alternerende beroepsopleiding dat is erkend overeenkomstig dit besluit, na de betrokkenen te hebben gehoord, indien, al dan niet in het kader van de controles overeenkomstig artikel 53, wordt vastgesteld dat het erkende centrum niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

HOOFDSTUK 2. - Retributies

Artikel 55

<KB 2008-09-18; art. 15; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

§ 1. De erkenningsaanvraag of de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning als opleidingscentrum, bedoeld in artikel 46, geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1.000 euro.

De erkenningsaanvraag of de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning als centrum voor alternerende beroepsopleiding, bedoeld in artikel 49, geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1.000 euro.

§ 2. Elk opleidingscentrum en elk centrum voor alternerende beroepsopleiding is een jaarlijkse retributie van 250 euro verschuldigd om de kosten van administratie en controle te dekken.

Deze retributies worden ten laatste op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

§ 3. De retributies voorzien in § 1 en 2 worden overgemaakt op een rekening nr. 679-2006010-50 van het Directoraat-Generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, City Atrium, Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel. »

« Artikel55/1

<Ingevoegd bij KB 2008-11-28, art. 5; Inwerkingtreding: 09-12-2008>

§ 1er. De afgifte van het certificaat bedoeld in artikel 8, §1, eerste lid, 3°, of van een duplicaat van dit certificaat geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 11 euro.
De retributie bedoeld in het eerste lid wordt betaald via overschrijving op een rekening van de Federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, overeenkomstig de voorschriften van de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

§ 2. De afgifte of de vervanging van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 14, geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 9 euro; de afgifte van een duplicaat van dit document geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 7,50 euro.
Deze retributies worden betaald aan de overheid bedoeld in artikel 16 overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister.

Aan de gemeenten wordt per afgeleverd document een som van 3,75 euro toegekend, overeenkomstig de door de Minister bepaalde modaliteiten.

Met het oog hierop deelt de burgemeester aan de Minister of zijn gemachtigde het aantal voorlopige rijbewijzen vakbekwaamheid en duplicaten van deze documenten mee, met vermelding van de nummers van voormelde documenten en voegt hij een overzicht toe van de documenten die onbruikbaar zijn geworden.

§ 3. De Minister kan de bedragen voorzien in § 1 en in § 2 aanpassen aan de schommelingen van de index van de consumptieprijzen. In dit geval vermenigvuldigt hij het bedrag met het indexcijfer van de voorbijgaande maand en deelt het produkt door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende dewelke dit besluit in werking is getreden. In voorkomend geval verhoogt hij het resultaat met maximum 0,5 euro of verlaagt hij het met maximum 0,49 euro om een eenheid te bekomen. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand gedurende dewelke ze in het Belgisch staatsblad werden gepubliceerd.

De retributies voorzien in §1 et in § 2 worden in geen geval terugbetaald. »


TITEL VII. - SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Artikel 56

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 september 2002, 22 maart 2004, 10 juli 2006 en 1 september 2006, wordt aangevuld als volgt:
«

17°      de bestuurders die het praktisch examen bedoeld in de artikelen 38 tot en met 42 van het

koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de

nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de

subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E afleggen of met het oog daarop scholing volgen;
18°      de bestuurders die houder zijn van een geldig voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid in de

zin van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de

vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C,

C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 57

(….) opgeheven bij <KB 2008-11-28, art. 6; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Artikel 58

Artikel 18, tweede lid van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt:
« Evenwel kan elke kandidaat van tenminste 18 jaar een rijbewijs geldig voor de categorieën C, C+E, D, D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E verkrijgen op voorwaarde dat hij eveneens beschikt over een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 59

Artikel 19, § 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
« § 3. De kandidaat van minder dan 21 jaar oud die het praktisch examen heeft afgelegd met een voertuig van de categorie C of C+E of met een voertuig van de categorie D of D+E ontvangt een rijbewijs enkel geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, behalve als hij houder is van een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E.

Als deze kandidaat de leeftijd van 21 jaar bereikt, kan een rijbewijs geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie C, C+E, D of D+E worden afgegeven, zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen. De procedure voorgeschreven in artikel 49 is van toepassing. ».

Artikel 60

Artikel 21, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E of van de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E is geldig voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, § 5 of voor de duur van de geldigheid van het bewijs van vakbekwaamheid. Indien deze termijnen verschillen is de geldigheidsduur beperkt tot de kortste termijn. ».

Artikel 61

In artikel 21, § 1, derde lid van hetzelfde besluit vervallen de woorden « Deze periode wordt teruggebracht tot drie jaar als de houder 50 jaar of meer is; bovendien verstrijkt de geldigheid van het rijbewijs afgegeven voordat de leeftijd van 50 jaar wordt bereikt, ten laatste op het ogenblik dat de houder de leeftijd van 53 jaar bereikt. ».

Artikel 62

In artikel 25 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 september 2002 en 1 september 2006, wordt een § 3 ingevoegd, luidende :
« § 3. De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de examens voor het behalen van het rijbewijs voor het besturen van de voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E. ».

Artikel 63

In hetzelfde besluit worden opgeheven :
1°        artikel 27, 3°;
2°        artikel 29, 1°;
3°        artikel 29, 3°.

Artikel 64

Artikel 44, § 5, derde lid van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« Het attest is vijf jaar geldig. Het kan evenwel afgegeven worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6. ».

Artikel 65

Artikel 58, § 1, 6° van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« 6° per categorie of subcategorie, de datum van afgifte van het rijbewijs en het bewijs van vakbekwaamheid en de uiterste geldigheidsdatum van deze bewijzen; ».

Artikel 66

In artikel 63, § 1 van hetzelfde besluit vervallen de woorden :
« categorieën C, C+E, D en D+E en subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E :

volledig praktisch examen ... 45,00 EUR
praktische proef alleen op de openbare weg ... 37,50 EUR ».

Artikel 67

In artikel 74 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°        de woorden « 2° tot 7° » worden vervangen door de woorden « 2° tot 9° »;
2°        in hetzelfde artikel wordt 2° vervangen door de volgende bepaling:

« 2° de gegevens betreffende het rijbewijs, de als zodanig geldende bewijzen en de ervoor

afgelegde examens; »;
3°        in hetzelfde artikel wordt 6°, eerste lid, vervangen als volgt :

« 6° de gegevens betreffende de examinatoren bedoeld in artikel 26 van dit besluit alsook

in artikel 25 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de

vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C,

C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E »;
4°        hetzelfde artikel wordt aangevuld met een 9° als volgt :

« 9° de gegevens betreffende de vakbekwaamheid, de ervoor geldende bewijzen en de

ervoor afgelegde examens, bepaald in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende

het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van

de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 68

In artikel 75 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°        de bepaling onder 1°, a) wordt aangevuld als volgt:

« a) de afgifte van de rijbewijzen en de als zodanig geldende bewijzen alsook van de

bewijzen van vakbekwaamheid bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007

betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van

voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1,

D1+E. »;
2°        in hetzelfde artikel wordt onderdeel b) vervangen als volgt :

« b) de examencentra en de examinatoren bedoeld in artikel 26 van dit besluit alsook in

artikel 25 van koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de

vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C,

C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; »;
3°        in hetzelfde artikel wordt de bepaling onder 1° aangevuld als volgt :

« d) de exameninstellingen en de opleidingscentra, overeenkomstig het koninklijk besluit

van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van

bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1,

C1+E, D1, D1+E; »;
4°        de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt :

« 10° de afgifte, door de overheid, van de rijbewijzen en de als zodanig geldende

bewijzen alsook van de bewijzen van vakbekwaamheid bedoeld in het koninklijk besluit
4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; ».

Artikel 69

In artikel 76 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
1°        in het tweede lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°,

7° en 8° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°,

7°, 8° en 9° » ;
2°        in het derde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en

7° mogen worden meegedeeld aan de examinatoren bedoeld in artikel 26 » vervangen

door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 9° mogen

worden meegedeeld aan de examinatoren bedoeld in artikel 26 van dit besluit alsook in

artikel 25 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de

vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C,

C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. »;
3°        in het vierde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3° en

4°» vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en
9° »;

4°        in het vijfde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en

7° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en

9° »;
5°        in het zesde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7°

en 8° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°,

7°, 8° en 9° ».

Artikel 70

In artikel 77 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen als volgt :
« De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 5°, 6°, 7° en 9° worden bewaard zonder tijdsbeperking. ».

Artikel 71

§ 1. In Bijlage 7, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 5 september 2002 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 april 2006 en 1 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°        de woorden « 95 : bestuurder, houder van het getuigschrift, die voldoet aan de

vakbekwaamheidsvereisten tot ... » worden ingevoegd tussen de woorden « 90.07 :

bedienbaar » en de woorden « II. Nationale codes »;
2°        de II betreffende de Nationale codes wordt aangevuld als volgt :

« 121 : beperkt tot vervoer binnen het Rijk en desgevallend geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 km bedraagt, overeenkomstig artikel 7 van het
koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 72

§ 1. In artikel 8.2, 1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 23 maart 1998 worden volgende wijzigingen aangebracht :
1°        onderdeel b) wordt vervangen als volgt :

« b) 18 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E en de

subcategorieën D1 en D1+E voor geregeld personenvervoer waarvan het traject ten

hoogste 50 kilometer bedraagt, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs

van vakbekwaamheid D zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007

betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van

voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1,

D1+E »;
2°        onderdeel d) wordt toegevoegd als volgt :

« d) 20 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E en de

subcategorieën D1 en D1+E voor personenvervoer, die houder zijn van, en tevens bij zich

hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4

mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders

van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1,

D1+E. ».

§ 2. In artikel 8.2, 2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 23 maart 1998, wordt punt 2°, tweede lid, b) vervangen als volgt :
« b) 18 jaar voor bestuurders van voertuigen van de categorieën C en C+E en de subcategorieën C1 en C1+E die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid C zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; ».

§ 3. Artikel 59.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991, 29 mei 1996, 23 maart 1998, 14 mei 2002 en 22 maart 2004, wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen

Artikel 73

§ 1. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid, in afwijking van artikel 3, § 2 :
1°        tot 10 september 2016, de bestuurders vermeld in artikel 5, § 1, 2°, die houder zijn van

een Belgisch of Europees rijbewijs;
2°        tot 10 september 2015, de bestuurders vermeld in artikel 5, § 2, 2°, die houder zijn van

een Belgisch of Europees rijbewijs.

« Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basis-kwalificatie C en, tot 10 september 2016, van de verplichting om houder te zijn van een bewijs van vakbekwaamheid C, de bestuurders die houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs van groep C, afgeleverd vóór 31 januari 2010 en van een « certificat de qualification» afgegeven bij het einde van het zesde jaar van het secundaire Franstalige beroepsonderwijs aan de leerlingen die de opleiding « conducteurs poids lourds » gevolgd hebben of van een studiegetuigschrift van het tweede jaar van de derde graad van het Nederlandstalige beroepsonderwijs afgegeven aan de leerlingen die de opleiding « bestuurders van vrachtwagens » gevolgd hebben; het « certificat de qualification » en het studiegetuigschrift dienen afgeleverd te zijn vóór 10 september 2009. »
<KB 2009-07-16, art. 6; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

§ 2. Bij de vervanging van het document bedoeld in artikel 8, § 1, van dit besluit van de bestuurders bedoeld in § 1, 1°, in de periode tussen 10 september 2009 en 9 september 2016 wordt op verzoek van de bestuurder op dat document de code 95 opgenomen door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2.

In dat geval is het bewijs van vakbekwaamheid geldig tot ten laatste 9 september 2016.
Indien de bestuurder bij deze vervanging evenwel aantoont dat hij 35 kredietpunten heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging, bedraagt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid vijf jaar.

§ 3. Bij de vervanging van het document bedoeld in artikel 8, § 1, van dit besluit van de bestuurders bedoeld in § 1, 2°, in de periode tussen 10 september 2008 en 9 september 2015 wordt op verzoek van de bestuurder op dat document de code 95 opgenomen door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2.

In dat geval is het bewijs van vakbekwaamheid geldig tot ten laatste 9 september 2015.

Indien de bestuurder bij deze vervanging evenwel aantoont dat hij 35 kredieturen heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging, bedraagt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid vijf jaar.

Artikel 74

In afwijking van artikel 3, § 3 zijn de bestuurders van voertuigen van groep C tot 10 september 2009 vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C.

Artikel 74bis

<Ingevoegd bij KB 2008-08-21; art.1; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

«§ 1. In afwijking van de bepalingen van Titel III worden de theorie- en praktijkexamens met het oog op het behalen van het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van groep 2 tot en met « 31 december 2011 » 1) afgelegd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. 1) <KB 2009-05-10, art. 1; Inwerkingtreding: 10-09-2009>


§ 2. In afwijking van de bepalingen van artikel 21, § 1, tweede lid, worden de examens met het oog op het behalen van het getuigschrift van basiskwalificatie tot en met « 31 december 2011 » 1) georganiseerd door de examencentra bedoeld in artikel 25, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs en door de organismen bedoeld in « artikel 4, 4° en 5° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voor de kandidaten die daar een opleiding hebben gevolgd en door de organismen bedoeld in artikel 4, 5° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voor de kandidaten die een opleiding hebben gevolgd in een organisme bedoeld in artikel 4, 5°, 7° of 15° van dit besluit» <KB 2009-07-16, art. 7; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

1) <KB 2009-05-10, art. 1; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

Artikel 74ter

<Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 16; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

« § 1. Voor de examens afgelegd in de examencentra bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, worden de volgende retributies betaald :
Theoretisch examen bedoeld in artikel 29, eerste lid, 1° en artikel 36, tweede lid, 1° : 51 euro;
Theoretisch examen bedoeld in artikel 29, eerste lid, 2° en artikel 36, tweede lid, 2° : 43 euro;
Theoretisch examen bedoeld in artikel 29, eerste lid, 3° en artikel 36, tweede lid, 3° : 89 euro;
Voor het theoretisch examen bedoeld in artikel 27, § 1, § 3 en § 4 geldt een toeslag van 75 euro.
Praktisch examen bedoeld in artikel 35, § 1, 1° en artikel 42, § 1, 1° : 124 euro;
Praktisch examen bedoeld in artikel 35, § 1, 2° en artikel 42, § 1, 2° : 53 euro;
Praktisch examen bedoeld in artikel 42, § 1, 3° : 36 euro;

Indien het examen bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, wordt afgelegd met een voertuig van de

« categorie C+E of D+E of subcategorie C1+E of D1+E »: 47 euro.
<KB 2009-07-16, art. 8; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

Indien de praktische proeven bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en 3° worden afgelegd op hetzelfde moment, wordt de volgende retributie betaald : 71 euro.

Indien de praktische proeven bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en 3° worden afgelegd op hetzelfde moment met een voertuig van de « categorie C+E of D+E of subcategorie C1+E of D1+E », wordt de volgende retributie betaald : 83 euro.
<KB 2009-07-16, art. 8; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

§ 2. De in § 1 voorziene retributies moeten ten laatste de tiende dag voorafgaand aan de datum van het examen waarvoor ze verschuldigd zijn, betaald worden. Bij ontstentenis wordt de afspraak vastgelegd door het examencentrum geannuleerd.
De retributies worden terugbetaald indien de kandidaat het examencentrum minstens acht werkdagen, zaterdag niet inbegrepen, voorafgaand aan de datum van het examen heeft verwittigd van zijn afwezigheid.
De retributies worden uitzonderlijk terugbetaald in geval van overmacht waarover de Minister of zijn gemachtigde oordeelt. »

§ 3. In de in § 1 bedoelde bedragen is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.
Deze bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2007 werd bereikt.
De bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het op 31 december van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en worden tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

Artikel 75

In afwijking van de bepalingen van artikel 47, § 3 en artikel 50, § 3 wordt - bij gebrek aan een beslissing van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - de goedkeuring van het opleidingsprogramma geacht te zijn verleend na verloop van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring van het opleidingsprogramma die wordt ingediend tijdens de periode tussen 1 januari 2008 en 10 september 2009.

Artikel 76

De erkenningen bedoeld in hoofdstuk 2 van titel III, in hoofdstuk 2 van titel IV en in hoofdstuk 1 van titel V kunnen worden ingediend en kunnen door de Minister worden verleend vanaf 1 januari 2008.

Zij hebben eerst uitwerking vanaf 10 september 2008, behoudens de gevallen waarin de erkenning na die datum wordt verleend.

In afwijking van het tweede lid hebben de erkenningen van de exameninstellingen (…) pas uitwerking vanaf  « 1 januari 2012 » <KB 2009-05-10, art. 2; Inwerkingtreding: 10-09-2009>.


HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding

Artikel 77

Dit besluit treedt in werking op 10 september 2008, met uitzondering van de bepalingen van artikel 76 die in werking treden op 1 januari 2008.

« In afwijking van het eerste lid :
a)         de artikelen 56, 57, 58, 59, 60, 65, 67, 68, 69, 70 en 72 treden op 10 september 2009 in

werking voor de bestuurders van voertuigen van groep C.
b)         de artikelen 62, 63 en 66 treden in werking op « 1 januari 2012 »

<KB 2008-08-21; art. 3; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

<KB 2009-05-10, art. 3; Inwerkingtreding: 10-09-2009>

HOOFDSTUK 4. - Uitvoering

Artikel 78

Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister bevoegd voor het wegverkeer, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 4 mei 2007.

ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT



Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs,
de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de

categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E

 

<Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 18; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

Lijst van de onderwerpen met betrekking tot de basiskwalificatie en de nascholing

1.    Nascholing in rationeel rijden op basis van de veiligheidsvoorschriften

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E en D, D+E, D1, D1+E

1.1. Doelstelling : kennis van de kenmerken van de krachtoverbrenging met het oog op een optimaal gebruik.

Koppelkrommen, van het vermogen en van het specifiek brandstofverbruik van een motor, optimaal gebruiksbereik toerenteller, dekkingsdiagrammen overbrengingsverhoudingen;

1.2. Doelstelling : kennis van de technische kenmerken en de werking van de veiligheidsvoorzieningen teneinde het voertuig onder controle te houden, de slijtage te beperken en disfuncties te voorkomen.

Specifieke eigenschappen van het hydropneumatisch remcircuit, grenzen aan het gebruik van remmen en retarders, gecombineerd gebruik van remmen en retarder, het vinden van de beste bij een snelheid passende versnelling, benutting van de traagheid van het voertuig, benutting van de mogelijkheden tot vertraging en remmen bij afdalingen, wat te doen in geval van defecte remmen;

1.3. Doelstelling : het brandstofverbruik kunnen optimaliseren.
Optimalisering van het brandstofverbruik dankzij kennis betreffende de punten 1.1 en 1.2.;

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E

1.4. Doelstelling : een lading kunnen vervoeren met inachtneming van de voorschriften inzake veiligheid en goed gebruik van het voertuig.

Op rijdende voertuigen werkende krachten, afstemming van de keuze van de versnelling op de belasting van het voertuig en het profiel van de weg, berekening van het laadvermogen van een voertuig of voertuigcombinatie, berekening van het nuttige volume, verdeling van de belasting, gevolgen van overbelasting van de as, stabiliteit van het voertuig en zwaartepunt, soorten verpakking en pallets.

Voornaamste categorieën goederen die moeten worden vastgezet, klem- en vastzettechnieken, gebruik van sjorringen, controleren van vastzetinrichtingen, gebruik van laad- en losmachines, aanbrenging en verwijdering van dekzeilen;

Rijbewijs D, D+E, D1, D1+E

1.5. Doelstelling : de veiligheid en het comfort van de passagiers kunnen waarborgen.

IJking van de bewegingen in de lengte- en de zijrichting, wegverdeling, plaats op de rijweg, soepel remmen, rijden met een overbouw, gebruik van specifieke infrastructuur (openbare plaatsen, voorbehouden rijvakken), beheersen van conflicten tussen veilig rijden en de andere taken als bestuurder, interactie met de passagiers, specifieke kenmerken van het vervoer van bepaalde groepen personen (gehandicapten, kinderen);

1.6. Doelstelling : een lading kunnen vervoeren met inachtneming van de voorschriften inzake veiligheid en goed gebruik van het voertuig.

Op rijdende voertuigen inwerkende krachten, afstemming van de keuze van de versnelling op de belasting van het voertuig en het profiel van de weg, berekening van het laadvermogen van een voertuig of voertuigcombinatie, verdeling van de belasting, gevolgen van overbelasting van de as, stabiliteit van het voertuig en zwaartepunt;

2. Toepassing van de voorschriften

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E en D, D+E, D1, D1+E

2.1. Doelstelling : kennis van het sociale klimaat en de reglementering van het wegvervoer.

Specifiek voor de vervoersector geldende maximumwerktijden; principes, toepassing en gevolgen van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en nr. 3821/85; sancties op het niet gebruiken, verkeerd gebruiken of knoeien met de tachograaf; kennis van het sociale klimaat van het wegvervoer : rechten en plichten van de bestuurders inzake basiskwalificatie en nascholing;

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E

2.2. Doelstelling : de regelgeving betreffende het goederenvervoer kennen.

Documenten met betrekking tot vervoersexploitatie, uit standaardcontracten voor goederenvervoer voortvloeiende verplichtingen, opstelling van de documenten die het vervoerscontract uitmaken, internationale transportvergunningen, verplichtingen van het Verdrag betreffende de Overeenkomst tot Internationaal Vervoer van Goederen over de Weg, opstelling van de internationale vrachtbrief, grensoverschrijdingen, expediteurs, de goederen begeleidende speciale documenten;

Rijbewijs D, D+E, D1, D1+E

2.3. Doelstelling : de regelgeving betreffende het personenvervoer kennen.

Vervoer van specifieke groepen, veiligheidsuitrusting van de bus, veiligheidsgordels, belasting van het voertuig;

3.    Gezondheid, verkeers- en milieuveiligheid, dienstverlening, logistiek

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E en D, D+E, D1, D1+E

3.1. Doelstelling : bedacht zijn op de gevaren van het verkeer en op arbeidsongevallen.

Soorten arbeidsongevallen in de vervoersector, statistieken van verkeersongevallen, betrokkenheid daarbij van vrachtwagens/touringcars, gevolgen op menselijk, materieel en financieel vlak;

3.2. Doelstelling : het kunnen voorkomen van criminaliteit en vervoer van illegale immigranten.

Algemene informatie, gevolgen voor de bestuurders, preventieve maatregelen, checklist, wetgeving inzake de verantwoordelijkheid van de vervoerder;

3.3. Doelstelling : fysieke risico's kunnen voorkomen.

Ergonomische principes : risicohandelingen en -houdingen, lichamelijke conditie, oefeningen in goederenbehandeling, persoonlijke beschermingsmiddelen;

3.4. Doelstelling : zich bewust zijn van het belang van een goede fysieke en mentale gezondheid.

Beginselen van een gezonde en evenwichtige voeding, effecten van alcohol, medicijnen of andere stoffen die het gedrag kunnen beïnvloeden, symptomen, oorzaken, effecten van vermoeidheid en stress, fundamenteel belang van de basiscyclus werk/rust;

3.5. Doelstelling : noodsituaties kunnen beoordelen.

Gedrag bij noodsituaties : inschatting van de situatie, erger voorkomen, hulpdiensten waarschuwen, hulp verlenen aan gewonden en eerstehulpverlening, optreden bij brand, inzittenden van de vrachtwagen of passagiers van de bus redden, de veiligheid van alle passagiers waarborgen, reactie in geval van agressie; basisbeginselen invulling schadeformulier;

3.6. Doelstelling : door zijn gedrag kunnen bijdragen aan het imago van een onderneming.

Gedrag van de bestuurder en imago : belang voor de onderneming van de kwaliteit van de dienstverlening door de bestuurder, de taken van de bestuurder, personen waarmee een bestuurder te maken krijgt, onderhoud van het voertuig, organisatie van het werk, commerciële en financiële gevolgen van een geschil;

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E

3.7. Doelstelling : kennis van het economisch klimaat van het goederenvervoer over de weg en van de marktordening.

Verhouding tussen het wegvervoer en de overige vervoerstakken (concurrentie, verladers), verschillende activiteiten in het wegvervoer (vervoer voor rekening van derden, voor eigen rekening, aanvullende activiteiten), organisatie van de voornaamste soorten vervoersondernemingen of aanverwante transportactiviteiten, gespecialiseerd vervoer (tankwagens, koelwagens, enz.), ontwikkelingen in de sector (diversificatie van het dienstenaanbod, railvervoer/wegvervoer, uitbesteding, enz.);

Rijbewijs D, D+E, D1, D1+E

3.8. Doelstelling : kennis van het economisch klimaat van het personenvervoer over de weg en van de marktordening.

Verhouding tussen het personenvervoer over de weg en de overige vervoerstakken (spoor, personenauto's), verschillende activiteiten in het personenvervoer over de weg, grensoverschrijdingen (internationaal vervoer), organisatie van de voornaamste soorten ondernemingen voor personenvervoer over de weg.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E.

Gegeven te Brussel, 4 mei 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT


Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs,

de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de

categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E

<Ingevoegd bij KB 2008-09-18; art. 18; Inwerkingtreding: 10-09-2008>

I. Voorwaarden waaraan de lokalen van de opleidingscentra moeten voldoen

De opleidingscentra moeten beschikken over de hiernavolgende lokalen :
-           een lokaal voor de administratie en voor het onthaal van de kandidaten;
-           een lokaal voor de theoretische lessen;
-           sanitaire voorzieningen.

Het leslokaal moet beantwoorden aan volgende vereisten :
-           voorzien zijn van tafels en stoelen;
-           beschikken over didactisch materieel.

De lokalen mogen niet worden ingericht in een private woning, noch in een drankgelegenheid.

II. Voorwaarden waaraan de terreinen - gebruikt in het kader van de naschoolse praktijkopleiding - moeten voldoen

Indien het opleidingscentrum - in het kader van een naschoolse praktijkopleiding - gebruik maakt van een terrein buiten het verkeer, moet dit terrein ontoegankelijk zijn voor elke persoon extern aan het praktisch examen alsook beantwoorden aan de volgende normen :
-           minimale afmetingen voor de realisatie van praktijkopleidingen in het opleidingscentrum;
-           sterk en stabiel wegdek, aangepast aan de massa van de voertuigen;
-           hulpverleningsmateriaal : brandblusser van 5 kg - hulptas - absorberend produkt voor

olievlekken.

III. Voorwaarden waaraan de voertuigen - gebruikt in het kader van de naschoolse praktijkopleiding - moeten voldoen

Indien het opleidingscentrum - in het kader van een naschoolse praktijkopleiding - gebruik maakt van een voertuig van de onderwezen categorie, moet dit voertuig beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 38 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998.

Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 18 september 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E.

ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
E. SCHOUPPE

O.T.M Partners

logo port of antwerp resol

stream logo

uw logo

nwlogoremant onderaanwebj

descartes logo

bccl logo

get logo

uw logo

logo easyfairs nieuw kl

ziegler partnerbalk

 

DP World Antwerp 2017 web

uw logo

Xeneta Logo Kl j

rotra logo

Timocom nieuwlogo 2018 form partnerlogo1

uw logo

tlhub logo

transportandlogisticsantwerpen1